Wie de WIA-instroom wil volgen, kijkt meestal naar de toekenningen of naar het aantal nieuwe uitkeringen in de Kwantitatieve informatie van UWV. Sinds 2020 lopen voorschotten mee in de nieuwe uitkeringen, en sinds eind 2022 missen de toekenningen de vereenvoudigde beoordelingen van 60-plussers. Beide reeksen geven daardoor een vertekend beeld. In dit artikel schat ik de instroom op een manier die niet afhangt van hoe snel UWV kan keuren: uit de 42e-weekmeldingen.
Kernresultaten
- In januari t/m april 2026 rapporteerde UWV 15.625 WIA-toekenningen en 26.468 nieuwe WGA- en IVA-uitkeringen. De genormaliseerde instroom komt uit op 21.665.
- De genormaliseerde instroom is gelijk aan de 42e-weekmeldingen van 16 maanden eerder maal 39,5%: 62,8% WIA-aanvragen per melding maal 62,9% toekenningen per aanvraag, gemeten in 2019 t/m 2022 en 2018 t/m 2022. In 2023 en 2024 sloot de schatting tot op 2 à 3% aan bij de toekenningen inclusief de vereenvoudigde beoordelingen van 60-plussers; in 2025 en begin 2026 lagen die toekenningen 8 à 9% lager.
- Het aantal 42e-weekmeldingen steeg van 2019 tot 2025 met 45%. Ongeveer 15% van die stijging komt door meer werknemers. De rest komt door meer meldingen per werknemer: het sterkst bij vrouwen en, van 2019 tot 2023, bij jongere werknemers.
- Van begin 2026 tot medio 2027 ligt de genormaliseerde instroom in elke periode van vier maanden 4% tot 10% hoger dan een jaar eerder.
Waarom de gepubliceerde reeksen vertekenen
De toekenningen liggen laag
Sinds 1 oktober 2022 kunnen werknemers die bij het einde van de wachttijd 60 jaar of ouder zijn, een vereenvoudigde claimbeoordeling krijgen. Die leidt in beginsel tot een WGA 80-100-uitkering. UWV telt deze beoordelingen mee als afgehandelde aanvraag, maar niet als toegekende IVA- of WGA-aanvraag. Het ging om 9.332 beoordelingen in 2023 en 10.281 in 2024. In de eerste acht maanden van 2025 lag de regeling grotendeels stil; per 1 september 2025 is zij heringevoerd. In januari t/m april 2026 waren het er 4.210.
Daarnaast komen beslissingen later door de achterstand bij UWV. De werkvoorraad WIA-beoordelingen liep op van 15.646 eind 2019 naar 30.343 eind 2024, 44.144 eind 2025 en 45.579 eind april 2026.
Het aantal nieuwe uitkeringen ligt hoog
Kan UWV niet op tijd beslissen, dan krijgt de aanvrager een voorschot. Dat telt als nieuwe uitkering, ook als de aanvraag later wordt afgewezen of de aanvrager intussen herstelt. Het aantal voorschotten binnen de nieuwe WGA-uitkeringen steeg van 24.322 in 2024 naar 36.903 in 2025. Ook heropeningen van eerdere uitkeringen tellen als nieuwe uitkering.
Beide reeksen bewegen dus mee met de keuringscapaciteit van UWV, elk op een eigen manier.
De genormaliseerde instroom
De 42e-weekmelding is de melding van een werkgever aan UWV dat een werknemer 42 weken ziek is. Ongeveer een jaar later volgt de WIA-aanvraag, en na de beoordeling de uitkering. De schatting volgt die keten met vaste verhoudingen:
genormaliseerde instroom(t) = meldingen(t − 16 mnd) × poort-% × keurings-%
- Poort-%: het aantal WIA-aanvragen gedeeld door de 42e-weekmeldingen van 12 maanden eerder, gemiddeld over de aanvraagjaren 2019 t/m 2022: 62,8%.
- Keurings-%: het deel van de aanvragen dat tot een beslissing leidt maal het deel van de beslissingen dat een toekenning is, gemiddeld over 2018 t/m 2022: 62,9%. Groei van de werkvoorraad telt mee als beslissingen die nog volgen, zodat een oplopende achterstand het percentage niet drukt.
De basisperiode ligt vóór de 60-plusregeling. Een vertraging van 16 maanden geeft de beste aansluiting, zowel met de nieuwe WGA- en IVA-uitkeringen als met de toekenningen: een correlatie van de verandering ten opzichte van een jaar eerder van 0,67 en 0,71, tegen hooguit 0,45 bij andere vertragingen.
De genormaliseerde instroom laat zien hoe de instroom zou zijn zonder voorschotten, zonder 60-plusregeling en zonder achterstanden bij UWV, bij de verhoudingen van de basisperiode. Ze voorspelt niet dat al die instroom ook echt tot een uitkering leidt.
Hoe goed klopt de schatting?
De beste toets is de vergelijking met de toekenningen inclusief de vereenvoudigde beoordelingen van 60-plussers. Die telt elke vereenvoudigde beoordeling als toekenning en is daarmee een bovengrens.
| Periode | Toekenningen incl. 60+ | Genormaliseerd | Verschil |
|---|---|---|---|
| 2020 (basisperiode) | 42.617 | 45.136 | −5,6% |
| 2021 (basisperiode) | 45.915 | 46.805 | −1,9% |
| 2022 (basisperiode) | 43.747 | 48.674 | −10,1% |
| 2023 | 54.818 | 53.690 | +2,1% |
| 2024 | 60.595 | 59.053 | +2,6% |
| 2025 | 53.638 | 59.031 | −9,1% |
| Januari t/m april 2026 | 19.835 | 21.665 | −8,4% |
In 2023 en 2024 sluit de schatting goed aan. In 2025 liggen de toekenningen 9% lager. Dat valt samen met de maanden waarin de 60-plusregeling stillag en met een werkvoorraad die dat jaar met bijna 14.000 aanvragen groeide. Een vast patroon is het niet: in 2022 was het verschil het grootst, bij de kleinste groei van de werkvoorraad van 2020 t/m 2022.
Per periode valt een seizoenspatroon op. Januari t/m april ligt vrijwel elk jaar onder de schatting: in 2020 t/m 2024 gemiddeld 6,9%, terwijl de andere perioden gemiddeld met de schatting overeenkomen. De schatting rekent met één vaste vertraging en vangt dat patroon niet. Het verschil van 8,4% in januari t/m april 2026 past daarbij.
Waar komt de stijging vandaan?
De stijging van de genormaliseerde instroom komt volledig uit de 42e-weekmeldingen, want de verhoudingen liggen vast. Om te zien of dat vooral door meer werknemers komt, heb ik de meldingen gedeeld door het aantal werknemers volgens CBS.
| Groep | 2019 | 2025 | Meldingen | Werknemers | Per werknemer |
|---|---|---|---|---|---|
| Totaal | 14,5 | 19,7 | +45% | +7% | +36% |
| Vrouwen | 17,6 | 24,7 | +52% | +9% | +40% |
| Mannen | 11,6 | 14,9 | +35% | +5% | +28% |
Van 2019 tot 2025 kwamen er 50.800 meldingen bij. Die stijging valt uiteen in drie delen: meer werknemers (15%), een andere samenstelling naar geslacht (ongeveer 1%) en meer meldingen per werknemer (ongeveer 84%). De grotere arbeidsdeelname van vrouwen verklaart weinig: het aantal vrouwelijke werknemers groeide 9%, tegen 5% bij mannen.
UWV deelt de leeftijd van de meldingen vanaf 2024 anders in. De leeftijdsklassen na 2023 zijn daardoor niet goed vergelijkbaar met eerdere jaren, dus de vergelijking naar leeftijd loopt tot en met 2023.
| Leeftijd | 2019 | 2023 | Meldingen | Werknemers | Per werknemer |
|---|---|---|---|---|---|
| t/m 24 jaar | 1,3 | 2,6 | +118% | +6% | +105% |
| 25 t/m 34 jaar | 9,1 | 14,1 | +63% | +6% | +54% |
| 35 t/m 44 jaar | 15,7 | 19,8 | +34% | +7% | +26% |
| 45 t/m 54 jaar | 19,4 | 24,2 | +17% | −6% | +24% |
| 55 t/m 64 jaar | 29,3 | 32,0 | +23% | +13% | +9% |
De meldingen per werknemer stijgen het sterkst bij de jongste werknemers. De groep tot 25 jaar is klein en bestaat voor een deel uit scholieren en studenten met een bijbaan; het hoge percentage zegt daar dus minder. Ook naar leeftijd verklaart de samenstelling weinig: van 2019 tot 2023 komt 15% van de stijging door meer werknemers, ongeveer 1% door een andere leeftijdsopbouw en 84% door meer meldingen per werknemer. De vergrijzing doet er per saldo vrijwel niets toe, omdat de groep van 45 tot 55 jaar kromp terwijl de groep van 55 tot 65 jaar groeide.
De cijfers laten zien wie er vaker langdurig ziek wordt, niet waarom. De diagnoses in de UWV-cijfers geven daar geen uitsluitsel over: bij ongeveer de helft van de nieuwe uitkeringen in 2025 is de diagnose onbekend, waarschijnlijk grotendeels omdat het om voorschotten gaat.
Vooruitblik
Omdat de schatting rekent met meldingen van 16 maanden eerder, is de genormaliseerde instroom tot medio 2027 al te berekenen uit meldingen die bekend zijn.
| Periode | Genormaliseerd | Een jaar eerder | Verschil |
|---|---|---|---|
| Januari t/m april 2026 | 21.665 | 19.732 | +9,8% |
| Mei t/m augustus 2026 | 20.171 | 18.725 | +7,7% |
| September t/m december 2026 | 21.343 | 20.574 | +3,7% |
| Januari t/m april 2027 | 23.083 | 21.665 | +6,5% |
| Mei t/m augustus 2027 | 21.654 | 20.171 | +7,4% |
Voor januari t/m april 2027 loopt de schatting uiteen van 21.300 bij een vertraging van 20 maanden tot 23.900 met het keurings-% van 2023 t/m 2025, inclusief de 60-plusbeoordelingen. Valt die periode net als in 2020 t/m 2024 gemiddeld 6,9% lager uit, dan gaat het om ongeveer 21.500 toekenningen inclusief 60-plusbeoordelingen, tegen 19.835 in januari t/m april 2026. Het seizoensgemiddelde rust wel op vijf jaren met een spreiding van −0,6% tot −16,8%.
Wat dit betekent voor verzekeraars
Wie op de gepubliceerde toekenningen stuurt, onderschat de instroom. Wie de nieuwe uitkeringen inclusief voorschotten gebruikt, overschat haar. Een genormaliseerde instroom is wat mij betreft een betere maatstaf voor underwriting en een ijkpunt voor de IBNR-reserves dan de gepubliceerde reeksen. Bij producten die de beschikking van UWV volgen, kan de achterstand de meldvertraging vergroten; een IBNR op basis van het historische meldpatroon kan dan te laag uitvallen.
Afhankelijk van het product en de dekking moet je daarna nog corrigeren:
- Eigenrisicodragers WGA. De uitkeringen na een vereenvoudigde beoordeling worden volgens de minister betaald uit het Arbeidsongeschiktheidsfonds. Volgens HR Praktijk worden ze niet aan werkgevers toegerekend, ook niet aan eigenrisicodragers. Dat drukt hun instroom zolang de regeling loopt. De regeling is tijdelijk, dus een A/E rond 100% zegt weinig over de prijs daarna.
- WIA-excedent- en WGA-hiaatdekkingen. Die volgen doorgaans de beschikking van UWV. Met de vereenvoudigde beoordeling krijgen 60-plussers vaker een WGA 80-100-uitkering dan bij een volledige beoordeling.
- Voorschotten. Of en wanneer een dekking uitkeert tijdens een voorschot, en wat er gebeurt als de aanvraag daarna wordt afgewezen, verschilt per product.
Beperkingen
- De verhoudingen liggen vast op het niveau van 2018 t/m 2022. Veranderen het aanvraaggedrag of de beoordelingspraktijk structureel, dan wijkt de werkelijke instroom af.
- Vangnetters, zoals uitzendkrachten en zieke werklozen, zitten wel in de aanvragen en uitkeringen, maar niet in de 42e-weekmeldingen. Het poort-% gaat ervan uit dat hun aandeel gelijk blijft. Dat aandeel lag de afgelopen jaren tussen 45% en 57% van de nieuwe uitkeringen. In 2023 en 2024 lag het hoger, in 2024 mede doordat UWV 60-plussers als vangnetter indeelde. Ook de cijfers per werknemer gaan alleen over werknemers.
- Het poort-% is gemeten met een vertraging van 12 maanden en wordt toegepast met 16 maanden. Bij stijgende meldingen drukt dat de schatting licht.
- De vertraging van 16 maanden is een gemiddelde. Ze rust op 18 tot 21 waarnemingen.
- De toetsing telt elke vereenvoudigde beoordeling van 60-plussers als toekenning. Uit de UWV-cijfers volgt dat niet elke beoordeling tot een beslissing leidt. De werkelijke toekenningen liggen daardoor iets lager dan in de tabel.
- CBS telt werknemers van 15 tot 75 jaar. Dat benadert het aantal WIA-verzekerden, maar is niet hetzelfde. Een melding is geen persoon: iemand kan meer dan eens gemeld worden. De groep van 65 jaar tot de AOW-leeftijd is buiten beschouwing gelaten.
- De UWV-cijfers bevatten geen inkomen. Of de stijging vooral bij hogere inkomens zit, is daarmee niet na te gaan.
Reproduceerbaarheid
| Bronnen | UWV, Kwantitatieve informatie, alle jaar- en viermaandsrapporten 2018 t/m januari t/m april 2026; CBS StatLine 85278NED (werknemers naar geslacht en leeftijd) |
| Bewerking | Alle getallen uit de rapporten in één database; perioden van vier maanden als verschil van cumulatieve cijfers binnen dezelfde jaargang; geen interpolatie |
| Software | R 4.3.3, pakketten dplyr 1.1.4, ggplot2 3.4.4, svglite 2.1.3 |
| Willekeur | Geen. Bij gegeven bronbestanden is de uitkomst deterministisch. |
Bronnen
- UWV, Kwantitatieve informatie, jaar- en viermaandsrapporten 2018 t/m 2026 (bijlagen bij de jaar- en tertaalverslagen).
- CBS StatLine, Werkzame beroepsbevolking; positie in de werkkring (85278NED).
- Minister van SZW, Kamerbrief van 28 april 2023 (Kamerstuk 26 448, nr. 712): de vereenvoudigde beoordeling van 60-plussers en de financiering uit het Arbeidsongeschiktheidsfonds.
- HR Praktijk, 7 december 2022: het niet toerekenen van deze uitkeringen aan werkgevers en eigenrisicodragers.
Tot slot
Al met al zet de stijging van de genormaliseerde instroom naar alle waarschijnlijkheid door. Wilt u weten wat dit betekent voor uw eigen portefeuille, of een second opinion op de aannames in uw pricing of reserving? Neem contact op.