Bij de overgang naar de solidaire premieregeling legt een fonds vast hoe de solidariteitsreserve wordt gevuld, hoeveel er bij de start in gaat en wanneer er wordt uitgedeeld. Elke keuze verschuift waarde tussen generaties. Ik heb dat doorgerekend voor een fictief fonds, met de DNB-scenarioset van het derde kwartaal van 2026 en de Prognosetafel AG2026.
Kernresultaten
- Vulling uit 10% van het positieve overrendement maakt alle bestaande leeftijdsgroepen netto betaler. Deelnemers tussen 35 en 50 jaar dragen het meest bij (−4,3% van hun vermogen inclusief toekomstige premies), gepensioneerden het minst (−0,1%). Toekomstige deelnemers ontvangen netto +1,6%.
- Een startvulling van 5% verschuift de rekening naar de ouderen. Voor gepensioneerden gaat de netto waardeoverdracht van −0,1% naar −2,4%. Wie bij invaren jonger is dan ongeveer 40 jaar gaat erop vooruit, wie ouder is gaat erop achteruit.
- Zonder startvulling groeit de reserve in de mediaan naar 3,7% van het totale vermogen na 10 jaar en 9,1% na 30 jaar. De kans dat een gepensioneerde in een jaar meer dan 5% uitkering verliest, daalt van 7,8% zonder reserve naar 2,3% met reserve.
De vraag
De solidariteitsreserve is het collectieve buffervermogen in de solidaire premieregeling (SPR). Ze wordt gevuld met een deel van de premie of het rendement van deelnemers, en gebruikt om tegenvallers op te vangen, meestal voor gepensioneerden. Wie inlegt en wie ontvangt, is niet dezelfde groep op hetzelfde moment. De vraag is dus niet alleen of de reserve groot genoeg wordt, maar ook of de regels evenwichtig uitpakken tussen generaties.
Om die vraag te beantwoorden zijn twee soorten berekeningen nodig. Onder een risiconeutrale scenarioset (Q) bereken je de marktwaarde van wat elke generatie inlegt en terugkrijgt: de waardeoverdracht. Onder een real-world scenarioset (P) bekijk je hoe de reserve zich ontwikkelt en hoe vaak hij nodig is.
De wettelijke kaders
- De reserve is maximaal 15% van het totale pensioenvermogen, inclusief de reserve zelf, en nooit negatief (art. 10d Pensioenwet).
- Vulling uit premie is maximaal 10% van de premie, vulling uit overrendement maximaal 10% van het positieve collectieve overrendement.
- Wat boven de 15% uitkomt, gaat naar de persoonlijke pensioenvermogens volgens vooraf vastgelegde regels.
- Na invaren mag de reserve tijdelijk boven 15% liggen, tot 1 januari 2037 of tot hij eerder onder 15% komt (art. 150n lid 9 Pensioenwet).
Het model
Het fonds
Een fictief fonds met 25.000 deelnemers en € 4,3 miljard ingevaren vermogen: 11.960 actieven, 7.540 slapers en 5.500 gepensioneerden. Het vermogen per deelnemer is synthetisch, maar realistisch van omvang en leeftijdsopbouw. Actieven betalen een vlakke premie van 24% van het salaris boven een franchise van € 17.500. Veertig jaar lang treden jaarlijks 400 nieuwe deelnemers van 25 jaar toe. De pensioenleeftijd is 68 jaar.
Het model rekent per cohort: geboortejaar maal geslacht maal groep (actief of inactief). Omdat alle reserveregels evenredig zijn met het vermogen en iedereen in een cohort even oud is, geeft dat voor de reserveregels dezelfde procentuele uitkomst als een berekening per deelnemer. Alleen de premie wijkt iets af, omdat die op het gemiddelde salaris van het cohort is berekend en de franchise niet lineair werkt.
Scenario's
De DNB-scenarioset CP2022 van het derde kwartaal van 2026, in de P- en de Q-variant, met alle 20.000 scenario's over 100 jaar. De nominale rentecurve volgt uit drie toestandsvariabelen van het KNW-model:
ln P(t, n) = φ(n, t) + Ψ(n) · X(t)
Aandelenrendement en Nederlandse prijsinflatie komen rechtstreeks uit de set. Onder Q is de stochastische discontovoet uit de set de numeraire.
Sterfte
Prognosetafel AG2026, best estimate per geslacht, als generatietafel. Er is geen ervaringssterfte toegepast. Sterfte volgt exact de AG2026-kansen, dus er ontstaan geen sterfteresultaten. Het vermogen van overleden deelnemers, ook vóór pensionering, vervalt aan de overlevenden in hetzelfde cohort.
Toedeling van rendement
- Beschermingsrendement: het rendement op een nulcouponhedge van de verwachte uitkeringsstroom van het cohort. De hedgeratio loopt van 0% op 25 jaar via 20% op 45 jaar naar 100% vanaf 68 jaar.
- Overrendement: aandelenrendement min de 1-jaarsrente, toegedeeld met een exposure van 90% op 25 jaar, 80% op 45 jaar, 35% op 68 jaar en 25% op de hoogste leeftijden.
Uitkering
Bij pensionering wordt het vermogen omgezet in een uitkering met de actuele rentecurve van het scenario en de AG2026-overlevingskansen, zonder projectierendement:
B = V / ( N · Σ P(t, m) · ₘpₓ )
De uitkering wordt elk jaar opnieuw bepaald. Er is geen spreiding van schokken over meerdere jaren.
De reserve in de basisvariant
- Vulling: 10% van het positieve overrendement, zolang de reserve onder 15% ligt.
- Belegging: 30% aandelen, 70% tegen de 1-jaarsrente.
- Demping: daalt de uitkering van een gepensioneerd cohort meer dan 5%, dan vult de reserve aan tot −5%. Per jaar wordt maximaal 20% van de reserve uitgekeerd.
- Overschot boven 15%: naar rato van vermogen naar alle deelnemers.
Hoe evenwichtigheid wordt gemeten
Per cohort k is de netto waardeoverdracht de marktwaarde onder Q van wat het cohort uit de reserve ontvangt, min wat het inlegt:
WO(k) = EQ[ Σ D(t) · ( U(k, t) − I(k, t) ) ]
D(t) is de deflator, U de ontvangsten (demping en uitdeling boven 15%), I de inleg (vulling en eventuele startvulling). De uitkomst wordt uitgedrukt als percentage van het ingevaren vermogen plus de marktwaarde van de toekomstige premies van het cohort. Over alle cohorten samen telt de waardeoverdracht, plus de reserve die na 100 jaar overblijft, op tot nul.
Resultaten
Hoe de reserve groeit
In de basis groeit de reserve langzaam: mediaan 3,7% na 10 jaar en 9,1% na 30 jaar, met een bandbreedte van 5,6% tot 12,7%. Een startvulling van 5% geeft na 30 jaar een mediaan van 11,5%. In de gunstigste scenario's raakt de reserve dan het maximum (14,7% bij het 95e percentiel).
| Variant | Mediaan t = 10 (%) | Mediaan t = 30 (%) | Kans op daling (% per jaar) | Kans op daling > 5% (% per jaar) |
|---|---|---|---|---|
| Geen reserve | 0,0 | 0,0 | 32,1 | 7,8 |
| Basis: 10% van overrendement | 3,7 | 9,1 | 29,7 | 2,3 |
| Basis plus startvulling 5% | 7,2 | 11,5 | 29,6 | 1,6 |
| Premievulling 5%, geen overrendement | 1,0 | 2,3 | 31,7 | 5,8 |
| Basis, demping vanaf 2% daling | 3,5 | 7,5 | 30,5 | 6,8 |
| Basis, demping ook voor naderenden | 3,6 | 8,1 | 30,1 | 5,2 |
De kans op een daling van de uitkering blijft in alle varianten rond 30% per jaar. De reserve vangt alleen grote dalingen op. Een lagere dempingsdrempel (2%) helpt minder dan je zou verwachten: de reserve wordt vaker aangesproken, blijft kleiner, en de kans op een daling van meer dan 5% is dan 6,8% in plaats van 2,3%.
Wie betaalt en wie ontvangt
| Variant (netto waardeoverdracht, %) | < 35 | 35–49 | 50–67 | 68+ | Toetreders |
|---|---|---|---|---|---|
| Basis: 10% van overrendement | −3,2 | −4,3 | −1,3 | −0,1 | +1,6 |
| Basis plus startvulling 5% | −1,9 | −4,9 | −3,5 | −2,4 | +2,5 |
| Premievulling 5%, geen overrendement | −1,1 | 0,0 | +1,3 | +0,8 | −1,0 |
| Basis, demping vanaf 2% daling | −1,6 | −2,1 | +1,3 | +1,2 | −0,2 |
| Basis, demping ook voor naderenden | −2,4 | −3,7 | −2,7 | −1,2 | +1,8 |
Vulling uit overrendement werkt onder Q als een geschreven optie per cohort: wie veel aandelenrisico draagt, levert het meeste in. Dat zijn de deelnemers tussen 35 en 50, die zowel een flink vermogen als een hoge exposure hebben. Gepensioneerden leggen weinig in, maar halen er via de demping ook weinig uit. Een deel van de waarde gaat naar toekomstige deelnemers, en 1,7% van het ingevaren vermogen zit na 100 jaar nog in de reserve.
Vulling uit premie in plaats van uit overrendement draait het beeld om: oudere actieven en gepensioneerden worden netto ontvanger, de jongsten en de toetreders betalen.
Het effect van een startvulling
Een startvulling wordt pro rata uit het ingevaren vermogen betaald. Per euro betaalt iedereen dus evenveel, maar voor een gepensioneerde is het ingevaren vermogen alles wat er is, terwijl het vermogen van een 25-jarige vooral nog moet komen uit toekomstige premies. Het effect is +1,6 procentpunt op 25 jaar en −2,4 procentpunt op 75 jaar. Het omslagpunt ligt rond 40 jaar.
| Bron (% van vermogen incl. toekomstige premies) | 25 jaar, basis | 25 jaar, startvulling | 75 jaar, basis | 75 jaar, startvulling |
|---|---|---|---|---|
| Inleg via startvulling | 0,00 | 0,04 | 0,00 | 5,00 |
| Inleg via vulling uit overrendement | 10,39 | 9,85 | 1,70 | 1,65 |
| Ontvangen via demping | 6,33 | 6,70 | 1,54 | 4,08 |
| Ontvangen via uitdeling boven 15% | 1,38 | 2,10 | 0,00 | 0,00 |
| Netto | −2,68 | −1,08 | −0,16 | −2,58 |
De 75-jarige legt 5% in en krijgt daarvan in zijn resterende levensjaren ongeveer de helft terug via demping. De 25-jarige betaalt nauwelijks mee, levert iets minder overrendement in omdat de reserve vaker vol zit, en ontvangt later meer via demping en via uitdeling boven 15%. De startvulling van de ouderen komt dus deels bij de jongeren terecht.
Controles
- Martingaaltoets op de Q-set met de DNB-deflator: de verwachte gedeflateerde waarde van aandelen, nulcouponobligaties en een 10-jaarsobligatie wijkt na 10 en 30 jaar minder dan 1% af van de startwaarde. Op zeer lange horizon (60 jaar en meer) loopt de steekproefruis op tot enkele procenten.
- Behoud van waarde: in de basis tellen de netto waardeoverdrachten plus de restreserve op tot −3,0 miljoen euro, bij een standaardfout van 3,2 miljoen. Dat is binnen de Monte Carlo-ruis en minder dan 0,1% van het ingevaren vermogen.
- Bij volledige renteafdekking en zonder aandelenexposure blijft de nominale uitkering exact constant (afwijking kleiner dan 10−14).
Beperkingen
- Het fonds is fictief. Voor een echt fonds bepalen de leeftijdsopbouw, de instroom en de verhouding tussen actieven, slapers en gepensioneerden de uitkomsten.
- Er is gerekend per cohort, zonder verloop van actief naar slaper of variabele pensioenleeftijd.
- Er is geen partnerpensioen op risicobasis gemodelleerd. De Wtp schrijft voor dat het vermogen van overleden deelnemers aan het collectief vervalt. Het model verdeelt het over de overlevenden in hetzelfde cohort. Doordat de risicopremie ontbreekt, liggen vermogens en uitkeringen iets te hoog.
- De uitkering kent geen projectierendement en geen spreiding van schokken. Beide hebben invloed op hoe vaak de reserve wordt aangesproken.
- Sterfte is deterministisch. Langlevenrisico als schok zit er niet in.
- De scenarioset bevat alleen rente, inflatie en één aandelenindex, dus geen credits, vastgoed of valuta, en geen looninflatie.
- De regels worden elk jaar mechanisch toegepast. Besluitvorming door het bestuur is niet gemodelleerd.
Reproduceerbaarheid
Het model zelf is niet openbaar. Alles wat de uitkomsten bepaalt, ligt wel vast, zodat de berekening te controleren en na te bouwen is:
| Scenario's | DNB CP2022 P- en Q-set 2026Q3, 20K-versie (xlsx), alle 20.000 scenario's, inflatie NL |
| Sterfte | Actuarieel Genootschap, "Parameters en best estimate sterftekansen van Prognosetafel AG2026" |
| Bronbestanden (SHA-256) | 7adab0da9d2c (P), 60d5fb8276c5 (Q), 8880c47fce18 (AG2026) |
| Software | R 4.3.3 met OpenBLAS, pakketten yaml 2.3.8, readxl 1.4.3, ggplot2 3.4.4, svglite 2.1.3 |
| Parameters | Eén configuratiebestand met alle regeling-, toedelings-, reserve- en scenario-instellingen, zoals hierboven beschreven (594d93bdfd05) |
| Deelnemersbestand | Synthetisch, vast bestand van 25.000 records (c03ca4c75d99) |
| Willekeur | Geen. Bij gegeven bronbestanden, deelnemersbestand en configuratie is de uitkomst deterministisch. |
| Rekentijd | Ongeveer 25 minuten voor zeven varianten onder P en Q, op twee processorkernen |
Wat dit betekent voor een fonds
De keuze van de vulregel en een eventuele startvulling bepaalt welke generatie de reserve betaalt. Dat is geen technisch detail, maar een verdelingsvraag die het bestuur moet kunnen uitleggen en onderbouwen. Met een berekening als deze maak je die verdeling per generatie zichtbaar, voordat de regels worden vastgelegd.
Wilt u dit doorrekenen voor uw eigen fonds, of een second opinion op een bestaande analyse? Neem contact op.